Eindtermen 7, 8 en 10 van de Exameneisen TVT: beroepshouding (7.1), Algemene Voorwaarden Zorgvervoer en Taxi (7.2), wensen en behoeften van bijzondere passagiers (7.3), klanttevredenheid en veiligheid (7.4), elementen van goede communicatie (8.1), herkennen van conflicten en agressie (8.3) en de klachtenprocedure met de Geschillencommissie (10.1).
De chauffeur is representatief (verzorgde kleding, hygiëne), klantvriendelijk, geduldig en spreekt correct Nederlands; de auto is schoon, er wordt niet gerookt of gevapet en niet privé gebeld met een passagier aan boord. Hij helpt bij in- en uitstappen en met bagage, geeft geen mening over politiek of religie en laat passagiers aan de trottoirzijde uitstappen. Chauffeurskaart, tariefkaart en klachtenregeling zijn zichtbaar in de auto. Veiligheid hoort bij klanttevredenheid: gordel voor iedereen, de chauffeur is verantwoordelijk voor kinderen jonger dan 12 jaar.
De Algemene Voorwaarden Zorgvervoer en Taxi (KNV) regelen wat vervoerder en passagier van elkaar mogen verwachten: betaling, ritprijs via de taxameter of een vooraf afgesproken vaste prijs, kwitantie, bagage en dieren, aansprakelijkheid voor schade en verloren voorwerpen. Vervoer mag worden geweigerd bij kennelijke dronkenschap, agressie, sterk vervuilde kleding of gevaarlijke goederen; een assistentiehond mag nooit worden geweigerd (Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte). Op de standplaats geldt een vervoerplicht.
Toetsterm 7.3 vraagt aandacht voor passagiers met een visuele, auditieve, motorische of verstandelijke beperking, dementie, ouderen, kinderen, culturele en taalverschillen en passagiers onder invloed. Kinderen vallen onder artikel 59 en 59a RVV 1990, met de taxi-uitzondering achterin. Volgens de Code VVR (Veilig Vervoer Rolstoelinzittenden) staat de rolstoel voorwaarts in de rijrichting, vastgezet met een vierpuntsbevestiging en de rem erop; de inzittende draagt een driepuntsgordel die aan het voertuig vastzit, met hoofdsteun, en de chauffeur controleert alles zelf vóór vertrek.
Goede communicatie (toetsterm 8.1): aandacht geven, luisteren, samenvatten, meedenken, oplossingsgericht en neutraal blijven. Een conflict herkent de chauffeur aan signalen en hij de-escaleert: rustig blijven, afstand houden, niet in discussie gaan. Bij agressie stopt hij de rit op een veilige plek, roept hulp in via de centrale of 112, doet aangifte en meldt het incident aan de werkgever, die volgens de Arbowet nazorg biedt. Toetsterm 10.1: een klacht gaat eerst schriftelijk naar het taxibedrijf; wordt zij afgewezen, dan kan de consument naar de Geschillencommissie Zorgvervoer en Taxi, mits het bedrijf de Algemene Voorwaarden hanteert; de commissie geeft een bindend advies en het klachtengeld wordt terugbetaald als de klant gelijk krijgt. ILT en Kiwa Register oordelen niet over een ritprijs.
Vrijwel alleen praktijksituaties (taxonomie B): een dronken passagier, een klant met een rolstoel, een schoolkind dat niet wil instappen, een boze passagier over de ritprijs. Veelgemaakte fouten: een assistentiehond weigeren, de rolstoel zijwaarts plaatsen, in discussie gaan met een boze klant, een klacht meteen naar de ILT of Kiwa sturen in plaats van naar het bedrijf en de Geschillencommissie. Het oefenexamen telt 40 losse vragen in 60 minuten; 32 goed is voldoende (format vanaf 1 oktober 2026).
1. Wat wordt in de Exameneisen TVT bedoeld met een representatieve beroepshouding van de taxichauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: de chauffeur is representatief, klantvriendelijk en geduldig. Representatief betekent dat kleding, hygiëne en gedrag verzorgd zijn, omdat de passagier de chauffeur ziet als het gezicht van het taxibedrijf en van de hele branche. Klanten altijd gelijk geven, ritten selecteren of iemand per se met de achternaam aanspreken zijn geen omschrijving van dat begrip.
2. Een taxichauffeur wacht tussen twee ritten in zijn lege taxi op de standplaats en wil een e-sigaret gebruiken. Wat geldt?
Tabaks- en rookwarenwet en Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: de taxi is een werkplek en valt onder het rookverbod, dat sinds 2020 ook voor e-sigaretten geldt. Roken of vapen in de auto, ook zonder passagier, laat geur en aanslag achter en past niet bij een representatieve beroepshouding. De chauffeur stapt uit als hij wil roken of vapen en zorgt dat de auto fris blijft voor de volgende klant.
3. Een passagier zegt kort na vertrek dat hij het te warm vindt in de taxi. Wat is de klantgerichte reactie?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: klanttevredenheid begint bij aandacht voor de wensen van de passagier tijdens de rit. Temperatuur, muziek en ventilatie stem je in overleg af, dus je vraagt wat de klant prettig vindt en regelt de airco of het raam daarop. Een bedrijfsstand die niet mag worden aangepast bestaat niet, en het comfort van de passagier hoort wél bij een goede taxirit.
4. Een passagier vraagt de taxichauffeur tijdens de rit wat hij van een omstreden politicus vindt. Wat is de professionele reactie?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: discretie hoort bij de beroepshouding van de taxichauffeur. Over politiek, religie en andere gevoelige onderwerpen geeft hij geen eigen mening, omdat een passagier zich daardoor snel ongemakkelijk of afgewezen kan voelen. Hij blijft vriendelijk en neutraal, luistert kort en stuurt het gesprek naar een veilig onderwerp zoals de route of het weer.
5. Mag een taxichauffeur tijdens een rit met een passagier aan boord een telefoongesprek voeren?
RVV 1990 artikel 61a verbiedt het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden; handsfree bellen is wettelijk toegestaan. Exameneisen TVT, toetsterm 7.1 vraagt daarnaast een klantgerichte houding: met een passagier aan boord voert de chauffeur geen privégesprekken en beperkt hij zakelijke gesprekken tot het hoogstnodige, kort en handsfree, zodat de klant zich niet genegeerd voelt en de aandacht bij het verkeer blijft.
6. Tijdens een rit met twee passagiers wordt de taxichauffeur gebeld door een vriend. Wat doet hij?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: met passagiers aan boord voert de chauffeur geen privégesprekken. RVV 1990 artikel 61a maakt handsfree bellen weliswaar wettelijk mogelijk, maar een privételefoontje leidt af van het verkeer en geeft de klant het gevoel dat hij er niet toe doet. De chauffeur laat de oproep dus lopen en belt terug na de rit; toestemming vragen aan de klant zet die in een ongemakkelijke positie.
7. Een oudere passagier komt met een zware koffer naar de taxi gelopen. Wat doet de chauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: klantvriendelijkheid betekent onder meer hulp bieden bij het in- en uitstappen en bij de bagage. Bij een oudere passagier met een zware koffer stapt de chauffeur dus uit, laadt de koffer veilig in de kofferbak en helpt bij het instappen. Blijven zitten of de klant zelf laten sjouwen is onhoffelijk, en losse bagage op de achterbank is bij een noodstop gevaarlijk.
8. Een passagier betaalt precies het bedrag van de taxameter. Mag de taxichauffeur om een fooi vragen?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1 en 7.4: de chauffeur is correct en klantvriendelijk, ook bij het afrekenen. De ritprijs is wat de taxameter aangeeft of wat vooraf is afgesproken; een fooi is een vrijwillig gebaar dat de klant zelf bepaalt. Erom vragen, erop zinspelen of ongevraagd naar boven afronden zet de klant onder druk en schaadt het vertrouwen in de chauffeur en het bedrijf.
9. Een klant geeft na een lange rit geen fooi en de taxichauffeur vindt dat teleurstellend. Hoe gedraagt hij zich?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: geduld en klantvriendelijkheid gelden tot en met het afscheid. Een fooi is nooit verplicht, dus een klant die precies betaalt doet niets verkeerd en krijgt dezelfde vriendelijke behandeling als iedere andere passagier. Aandringen, zelf afronden of een kwitantie weigeren is ongepast en kan tot een klacht bij het bedrijf of de Geschillencommissie Zorgvervoer en Taxi leiden.
10. Een passagier wil op een drukke straat aan de kant van het verkeer uitstappen. Wat doet de taxichauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: de chauffeur is verantwoordelijk voor de veiligheid van de passagier tot die de taxi heeft verlaten. Uitstappen gebeurt daarom aan de trottoirzijde, met de auto stilstaand langs de kant, terwijl de chauffeur zelf naar fietsers en ander verkeer kijkt. Een portier aan de verkeerszijde openen veroorzaakt regelmatig aanrijdingen met fietsers; dat laat je nooit aan de klant over.
11. Wie is volgens het RVV 1990 verantwoordelijk als een passagier van 9 jaar in de taxi geen gordel draagt?
RVV 1990 artikel 59 legt de verantwoordelijkheid voor passagiers jonger dan 12 jaar bij de bestuurder: hij moet zorgen dat zij de gordel of het kinderbeveiligingssysteem gebruiken. Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 rekent dit tot de veiligheid van de passagier. Passagiers van 12 jaar en ouder zijn zelf strafbaar als zij de gordel niet dragen; ouder of vervoerder dragen deze verantwoordelijkheid niet in het verkeer.
12. Een volwassen passagier weigert in de taxi de gordel om te doen en zegt dat het zijn eigen risico is. Wat doet de chauffeur?
RVV 1990 artikel 59: iedere passagier gebruikt de beschikbare gordel; vanaf 12 jaar is hij daarvoor zelf strafbaar, maar volgens Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 blijft de chauffeur verantwoordelijk voor een veilige rit. Hij legt uit dat de gordel verplicht is en dat een losse passagier bij een noodstop ook hem raakt. Volgens de Algemene Voorwaarden Zorgvervoer en Taxi volgt de klant redelijke aanwijzingen op; anders start de chauffeur de rit niet.
13. Een moeder stapt met haar kind van 4 jaar in de taxi en wil het voorin op schoot nemen. Wat is juist?
RVV 1990 artikel 59 kent voor de taxi een uitzondering: een kind kleiner dan 1,35 m mag zonder kinderzitje worden vervoerd, maar dan alleen achterin en met de autogordel om. Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 vraagt dat de chauffeur die regel kent en toepast. Op schoot of voorin is verboden en levensgevaarlijk: bij een botsing wordt het kind tussen de volwassene en het dashboard geklemd.
14. Waar hoort de chauffeurskaart zich tijdens het taxivervoer te bevinden?
Besluit personenvervoer 2000 bepaalt dat de chauffeurskaart tijdens het vervoer zichtbaar in de taxi aanwezig is; Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 noemt de zichtbare kaart als onderdeel van klanttevredenheid en veiligheid. De passagier ziet zo met wie hij rijdt en kan bij een klacht de naam of het kaartnummer noteren. Een kaart in de portefeuille of op kantoor voldoet niet, ook al leest de boordcomputer hem uit.
15. Bij het begin van een dienst ziet een taxichauffeur dat de tariefkaart aan de binnenkant van de taxi is losgeraakt en op de vloer ligt. Wat doet hij?
Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer: de tarieven moeten zowel aan de buitenkant als binnen in de taxi duidelijk leesbaar zijn voor de passagier. Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 verwacht dat de chauffeur dit vóór de dienst controleert. Een losgeraakte kaart bevestigt hij dus meteen weer op zijn plaats; een kaart in het kastje of alleen aan de buitenkant voldoet niet en kan bij een ILT-controle een boete opleveren.
16. Waar moet een passagier in een straattaxi kunnen lezen hoe hij een klacht over de rit kan indienen?
Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer: de tariefkaart in de taxi vermeldt naast de tarieven de naam en het adres van de vervoerder en de wijze waarop een klacht kan worden ingediend. Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 en 10.1 verwachten dat de chauffeur de klant daarop kan wijzen. Website, kwitantie of chauffeurskaart mogen die informatie herhalen, maar vervangen de zichtbare kaart in de auto niet.
17. Een taxichauffeur heeft honger en wil tijdens een rit met een passagier een broodje eten achter het stuur. Wat past bij een professionele houding?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: de chauffeur gedraagt zich representatief en geeft de passagier zijn volle aandacht. Eten achter het stuur is onhygiënisch, leidt af en geeft de klant een slordige indruk van het bedrijf. Hij eet dus in zijn pauze, buiten de auto of in elk geval zonder passagier. De Arbeidstijdenwet regelt pauzes, maar geeft geen recht om tijdens een rit te eten.
18. Een taxichauffeur luistert graag naar harde muziek. Er stapt een passagier in die niets over de muziek zegt. Wat doet de chauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: klanttevredenheid vraagt dat de chauffeur zijn eigen voorkeuren ondergeschikt maakt aan die van de passagier. Veel klanten durven niets te zeggen over muziek die te hard staat, dus de chauffeur zet het volume laag en vraagt wat de klant wil. Volledige stilte opleggen is evenmin klantgericht; de wens van de passagier bepaalt de sfeer in de auto.
19. Een passagier geeft korte antwoorden en kijkt op zijn telefoon. De taxichauffeur praat graag. Wat is de juiste houding?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1 en 7.3: de chauffeur is geduldig, klantvriendelijk en stemt zijn gedrag af op de behoefte van de passagier. Sommige klanten willen praten, anderen willen werken of rusten; de chauffeur leest die signalen en dringt zich niet op. Hij zegt alleen wat nodig is over route, tijd en prijs, en houdt de radio op een bescheiden volume.
20. Wat hoort bij de persoonlijke hygiëne die van een taxichauffeur wordt verwacht?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: representatief zijn omvat kleding én persoonlijke hygiëne. In de kleine ruimte van een taxi vallen lichaamsgeur, rooklucht en een zware parfum direct op en bepalen ze de indruk van de klant. Dagelijkse verzorging, schone kleding en frisse adem zijn de norm; een baard of lang haar is geen probleem zolang het verzorgd is, en ontsmetten na elke rit is geen eis.
21. Op een hete zomerdag meldt een taxichauffeur zich voor zijn dienst in een korte broek, slippers en een hemd. Wat is hiervan te zeggen?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: de chauffeur kleedt zich representatief, omdat hij het visitekaartje van het bedrijf en de branche is. Slippers en een hemd horen bij het strand, niet bij beroepsvervoer; bovendien belemmeren slippers het bedienen van de pedalen. Veel bedrijven schrijven bedrijfskleding voor; de Arbowet vraagt van de werkgever een gezond klimaat in de auto, maar geen strandkleding.
22. Na een rit met kinderen liggen er kruimels en een leeg pakje sap op de achterbank van de taxi. De volgende klant staat al te wachten. Wat doet de chauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1 en 7.4: een schone auto hoort bij een representatieve uitstraling en bepaalt direct de tevredenheid van de klant. Een vuile bank aanbieden is niet acceptabel, ook niet met een belofte om het later te doen. De chauffeur maakt de bank kort schoon en verontschuldigt zich voor de kleine wachttijd; gewone kruimels zijn geen schade die volgens de Algemene Voorwaarden Zorgvervoer en Taxi op de klant wordt verhaald.
23. Een passagier vraagt de taxichauffeur om via een langere, rustige route langs de rivier te rijden. Wat doet de chauffeur?
Algemene Voorwaarden Zorgvervoer en Taxi (KNV): de chauffeur rijdt de route die de passagier aangeeft; zonder aanwijzing kiest hij de voor de klant meest gunstige route. Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 vraagt daarbij transparantie over de prijs. De chauffeur rijdt dus langs de rivier, maar meldt eerst dat de taxameter door de langere afstand hoger uitkomt, zodat de klant bewust kiest en niet achteraf verrast is.
24. Om twee uur 's nachts zet een taxichauffeur een alleenreizende passagier af in een donkere straat. Wat is klantgericht en veilig?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: de chauffeur draagt zorg voor de veiligheid van de passagier tot het einde van de rit. 's Nachts betekent dat: stoppen zo dicht mogelijk bij de voordeur en even wachten tot de klant veilig binnen is. Mee naar binnen lopen gaat te ver en is opdringerig; aan de overkant afzetten dwingt de klant juist een donkere straat over te steken.
25. Een passagier heeft haast voor een vlucht en vraagt de taxichauffeur harder te rijden dan is toegestaan. Hoe reageert hij?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: de veiligheid van de passagier en van andere weggebruikers gaat altijd vóór klantwensen. Wegenverkeerswet 1994 en RVV 1990 gelden ook in een taxi met een haastige klant; een boete of ongeval treft de chauffeur, zijn chauffeurskaart en het bedrijf. Hij blijft klantgericht door kalm uit te leggen dat hij niet harder mag, en door wel de snelste toegestane route te kiezen.
26. Waarom hecht de taxibranche zoveel waarde aan de beroepshouding van iedere individuele chauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1 en 4.4: de chauffeur is het gezicht van het bedrijf en van de taxibranche. Een klant die één onvriendelijke of slordige chauffeur treft, vertelt dat door en kiest de volgende keer een andere vervoerder. De ILT controleert op documenten en arbeidstijden, niet op kleding, en de cao en Kiwa Register kennen geen beloning of intrekking op basis van houding.
27. Een taxichauffeur haalt een klant op die hij niet kent. Hoe spreekt hij de klant bij het instappen aan?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: correct Nederlands en een beleefde omgangsvorm horen bij de beroepshouding. Een onbekende klant begroet je en spreek je met u aan; pas als de klant zelf tutoyeert of dat vraagt, ga je mee. Zwijgen bij het instappen komt onverschillig over, en een voornaam gebruiken zonder dat de klant dat aanbiedt is te familiair.
28. Een passagier wil worden afgezet bij een winkel aan een drukke weg waar langs de stoep een fietsstrook ligt. Waar laat de chauffeur hem uitstappen?
RVV 1990 artikel 23 verbiedt stilstaan op een fietsstrook en op of vlak bij een voetgangersoversteekplaats, ook voor het even laten uitstappen van een passagier. Exameneisen TVT, toetsterm 7.4 vraagt dat de chauffeur een veilige uitstapplek kiest. Hij rijdt dus een paar meter door naar een plek waar hij zonder gevaar of hinder langs de kant kan stoppen; alarmlichten maken een verboden stop niet toegestaan.
29. Een passagier zet twee volle boodschappentassen naast zich op de achterbank en een fles op de hoedenplank. Wat doet de taxichauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: de chauffeur bewaakt de veiligheid van zijn passagiers, ook door bagage goed op te bergen. Bij een noodstop vanaf 50 km/u schiet een losse fles van de hoedenplank met grote kracht naar voren en kan iemand ernstig verwonden. Volgens de Algemene Voorwaarden Zorgvervoer en Taxi wordt bagage vervoerd op aanwijzing van de chauffeur, dus hij laadt alles in de kofferbak.
30. Waarop let een taxichauffeur direct voordat hij met een passagier wegrijdt?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: de veiligheid van de passagier begint vóór het wegrijden. De chauffeur controleert dat de portieren goed dicht zijn, dat iedereen de gordel draagt (RVV 1990 artikel 59) en dat bagage niet los in de auto ligt. De taxameter staat juist aan vanaf het begin van de rit, een identiteitsbewijs is niet nodig en navigatie mag gewoon worden gebruikt.
31. Een passagier met een rollator wil met de taxi naar het ziekenhuis. Hoe helpt de taxichauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1 en 7.3: de chauffeur helpt bij het in- en uitstappen en houdt rekening met passagiers met een beperking. Een rollator is een hulpmiddel dat gewoon mee mag; hij klapt hem in en legt hem in de kofferbak, zodat hij bij een noodstop niet door de auto schuift. Weigeren of de klant vragen het hulpmiddel thuis te laten is in strijd met een klantgerichte houding.
32. Een passagier herkent de taxichauffeur en vraagt of hij gisteren de bekende buurman naar het ziekenhuis heeft gebracht. Wat doet de chauffeur?
AVG en Exameneisen TVT, toetsterm 7.1: discretie is een kernonderdeel van de beroepshouding, en gegevens over ritten en passagiers zijn persoonsgegevens die de chauffeur niet deelt. Wie met de taxi naar het ziekenhuis gaat, heeft recht op privacy, ook tegenover buren. De chauffeur wimpelt de vraag vriendelijk af; bevestigen, gedeeltelijk vertellen of de centrale om toestemming vragen is allemaal onjuist.
33. Bij het instappen zegt een klant dat de chauffeur van gisteren onbeschoft was en te veel rekende. Hoe reageert de taxichauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.1 en 10.1: de chauffeur blijft professioneel, ook als het over een collega gaat. Hij luistert, neemt de klacht serieus en verwijst naar de klachtenregeling die op de tariefkaart staat, zodat het bedrijf de zaak kan onderzoeken. Een collega afvallen schaadt het bedrijf, de klant tegenspreken maakt hem bozer, en ter plekke bellen is onprofessioneel.
34. Een zakelijke passagier wil tijdens de rit een telefonische vergadering voeren en vraagt de radio uit te zetten. Wat doet de chauffeur?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: de chauffeur stemt de omstandigheden in de auto af op wat de passagier nodig heeft. Een klant die wil werken of bellen krijgt rust: radio uit, geen gesprekjes tussendoor en een soepele rijstijl. Verkeersinformatie kan de chauffeur ook via de navigatie volgen, en naar de inhoud van een zakelijk gesprek vragen is een schending van de discretie.
35. Wat draagt in de praktijk het meest bij aan de tevredenheid van een taxipassagier?
Exameneisen TVT, toetsterm 7.4: klanttevredenheid ontstaat door een vriendelijke ontvangst, een veilige en soepele rit, een correcte prijs en heldere informatie over route en tijd. Een luxe auto helpt, maar compenseert een onvriendelijke chauffeur niet. De taxameter uitzetten is verboden volgens de Wet personenvervoer 2000, en een chauffeur die de hele rit over zichzelf praat vermoeit de meeste klanten.