Eindtermen 5, 6 en 11 van de Exameneisen TVT: handelen bij een ongeval en bij verstoringen (toetstermen 5.1 tot en met 5.3), communicatie met passagier en bedrijf en het gebruik van communicatieapparatuur (6.1 en 6.2), en de globale geografie van Nederland met bewegwijzering en navigatie (11.2 en 11.3). Het oefenexamen volgt het format vanaf 1 oktober 2026: 40 losse vragen, 60 minuten, 32 goed om te slagen.
De chauffeur werkt de PAMAN-regel in vaste volgorde af: Persoonlijke veiligheid (hesje aan, niet de rijbaan op), Andermans veiligheid (passagiers achter de vangrail of op een veilige plek, alarmlichten aan), Markeren (gevarendriehoek op ongeveer 30 meter binnen de bebouwde kom, tot 100 meter op de autosnelweg), Alarmeren (112 bij gewonden, brand of gevaar) en Noodzakelijke hulp (stabiele zijligging, bloeding stelpen, bij mogelijk nekletsel niet verplaatsen). Op de autosnelweg geldt het Incident Management van Rijkswaterstaat: auto op de vluchtstrook, iedereen achter de vangrail, wachten op weginspecteur of berger. Artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het verlaten van de plaats van een ongeval; het Europees schadeformulier wordt samen ingevuld.
112 is voor spoed (gewonden, brand, acuut gevaar); 0900-8844 is de politie zonder spoed. De melder noemt de locatie (weg, rijrichting, hectometerpaal of straat en huisnummer), de aard van het incident, het aantal gewonden en de gevaren. Bij pech, file of stremming raadpleegt de chauffeur de verkeersinformatie, kiest een omleiding, informeert de passagier over vertraging en ritprijs en waarschuwt de centrale, bij contractvervoer ook de opdrachtgever.
Eindterm 6: de passagier vooraf informeren over ritprijs, route en verwachte tijd, in Nederlands op B1-niveau, zonder discussie in de auto; het bedrijf of de centrale op de hoogte houden van afwijkingen en incidenten. Portofoon, mobilofoon en centrale-app worden kort en zakelijk gebruikt; bellen gebeurt uitsluitend handsfree, want artikel 61a RVV 1990 verbiedt het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. De navigatie wordt vóór de rit ingesteld.
Toetsterm 11.2 verwacht globale kennis van de twaalf provincies met hun hoofdsteden en van de belangrijkste A-wegen: A1 (Amsterdam-Amersfoort-Apeldoorn-Hengelo), A2 (Amsterdam-Utrecht-'s-Hertogenbosch-Eindhoven-Maastricht), A4 (Amsterdam-Schiphol-Den Haag-Rotterdam), A28 (Utrecht-Amersfoort-Zwolle-Groningen) en knooppunten als Oudenrijn, Hoevelaken en Ridderkerk. Bewegwijzering van de Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBd): blauwe borden met witte letters voor autosnelwegen, gele borden voor N-wegen en lokale bestemmingen; hectometerpalen geven de positie, U-routes zijn uitwijkroutes bij een stremming. Toetsterm 11.3: een verkeersbord gaat altijd voor de navigatie; bij uitval gebruikt de chauffeur de bewegwijzering, de centrale of de passagier.
Situatievragen (taxonomie B) over de volgorde van PAMAN, welk nummer wanneer en wat de chauffeur tegen een passagier zegt bij vertraging; kennisvragen (taxonomie F) over kleuren van borden, wegnummers en provinciehoofdsteden. Veelgemaakte fouten: eerst 112 bellen en dan pas de eigen veiligheid regelen, de gevarendriehoek te dichtbij zetten, 0900-8844 bellen bij gewonden, de navigatie boven een bord stellen.
1. Waar staat de letter P in de PAMAN-regel voor, die een taxichauffeur bij een ongeval als eerste toepast?
De PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT begint met Persoonlijke veiligheid. Pas als de chauffeur zelf veilig staat, volgen Andermans veiligheid, Markeren, Alarmeren en Noodzakelijke hulp. Wie meteen gaat bellen of helpen zonder eerst zichzelf in veiligheid te brengen, loopt kans zelf slachtoffer te worden en kan dan niemand meer helpen.
2. In welke volgorde handelt een taxichauffeur volgens de PAMAN-regel na een aanrijding?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT legt de PAMAN-volgorde vast: Persoonlijke veiligheid, Andermans veiligheid, Markeren, Alarmeren, Noodzakelijke hulp. De volgorde is logisch: wie zelf veilig is en de plek heeft gemarkeerd, voorkomt een tweede ongeval; daarna zorgt alarmeren dat professionele hulp onderweg is voordat de chauffeur zelf eerste hulp geeft.
3. Een taxichauffeur heeft een kop-staartbotsing op een provinciale weg. Wat valt onder de A van Andermans veiligheid?
Andermans veiligheid is de tweede stap van de PAMAN-regel in toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT: zodra de chauffeur zelf veilig is, brengt hij passagiers, de andere bestuurder en omstanders buiten het bereik van het verkeer, bij voorkeur in de berm of achter de vangrail. Foto's, gegevens uitwisselen en de berger regelen komen pas nadat de plek gemarkeerd is en hulp is gealarmeerd.
4. Op welke afstand achter de taxi plaatst een chauffeur de gevarendriehoek na een ongeval binnen de bebouwde kom?
Incident Management van Rijkswaterstaat en toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT hanteren als vuistregel ongeveer 30 meter binnen de bebouwde kom en tot 100 meter op een autosnelweg. De driehoek staat er om naderend verkeer te waarschuwen: te dichtbij ziet men hem te laat, te ver weg verliest hij zijn verband met de plaats van het ongeval. Zet daarnaast altijd de alarmlichten aan.
5. Wat houdt de stap Alarmeren uit de PAMAN-regel in voor een taxichauffeur die betrokken is bij een ongeval?
Alarmeren is de vierde stap van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT: de hulpdiensten inschakelen zodra de situatie dat vraagt en het taxibedrijf op de hoogte brengen. Alarmlichten en de gevarendriehoek horen bij Markeren, het waarschuwen van passagiers bij Andermans veiligheid. Pas na het alarmeren verleent de chauffeur zelf noodzakelijke hulp.
6. Wat verstaat de PAMAN-regel onder Noodzakelijke hulp?
Noodzakelijke hulp is de laatste stap van de PAMAN-regel in toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT. Het gaat om de eerste hulp die niet kan wachten tot de ambulance er is: een ernstige bloeding stelpen, een bewusteloos slachtoffer dat ademt op de zij leggen, of reanimeren op aanwijzing van de meldkamer. Gewonden zelf vervoeren of een behandeling overnemen hoort daar niet bij.
7. Een taxi komt na een aanrijding op de vluchtstrook van een autosnelweg tot stilstand. Waar wachten chauffeur en passagiers op hulp?
Incident Management van Rijkswaterstaat is duidelijk: na een ongeval of pech op de autosnelweg verlaat iedereen de auto aan de kant van de berm en wacht achter de vangrail, ver van de rijbaan. Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur dit toepast. Een stilstaande auto op de vluchtstrook wordt regelmatig aangereden; in of naast de auto blijven is daarom levensgevaarlijk.
8. Waarom draagt een taxichauffeur een veiligheidshesje zodra hij na een ongeval de auto verlaat?
Het veiligheidshesje hoort bij de stap Markeren van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT en bij de adviezen van Incident Management van Rijkswaterstaat. Een persoon in het donker of in de regen langs de weg is zonder reflecterend hesje pas op korte afstand zichtbaar; met hesje ziet naderend verkeer hem honderden meters eerder. Bewaar het hesje daarom binnen handbereik in de cabine, niet in de kofferbak.
9. Een taxichauffeur raakt bij het achteruitrijden een geparkeerde auto. De eigenaar is niet aanwezig. Wat moet hij doen?
Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het verlaten van de plaats van een ongeval als daardoor de identiteit van de betrokkene niet kan worden vastgesteld; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT toetst dit. Wie binnen twaalf uur vrijwillig zijn identiteit bij de politie meldt, is niet strafbaar. Een briefje met naam, kenteken en telefoonnummer achterlaten en de aanrijding melden bij politie en werkgever is de juiste handelwijze.
10. Wat verbiedt artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 nog meer dan het onbekend blijven van de identiteit na een ongeval?
Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 kent twee verboden: de plaats van het ongeval verlaten zonder dat de identiteit kan worden vastgesteld, en iemand die door het ongeval in hulpeloze toestand verkeert zonder hulp achterlaten. Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT koppelt dit aan de PAMAN-regel. Voertuigen verplaatsen na foto's, een schadeformulier zonder agent invullen en verder rijden zijn op zichzelf toegestaan.
11. De andere bestuurder wil na een aanrijding het Europees schadeformulier niet ondertekenen. Wat doet de taxichauffeur?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt het Europees schadeformulier als middel om de toedracht vast te leggen; de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen laat de verzekeraars daarna de aansprakelijkheid beoordelen. Weigert de ander te tekenen, dan vult de chauffeur zijn eigen kolom in, noteert kenteken, tijd en plaats, vraagt getuigen om contactgegevens en maakt foto's. Iemand vasthouden mag niet; de politie kan wel worden gebeld.
12. Wat betekent de handtekening van de taxichauffeur op de voorzijde van het Europees schadeformulier?
Volgens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen beoordeelt de verzekeraar wie aansprakelijk is; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur het schadeformulier daarom alleen als feitenverslag gebruikt. De handtekening bevestigt de ingevulde situatieschets, kruisjes en gegevens. Schuld erkennen is in de meeste polisvoorwaarden zelfs verboden, en getuigen of foto's blijven achteraf altijd bruikbaar.
13. Welke foto's zijn na een aanrijding het nuttigst voor de afhandeling van de schade?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT rekent foto's en getuigen tot de vastlegging van een ongeval. Verzekeraars hebben het meest aan overzichtsfoto's die de positie van de voertuigen, de rijrichting, verkeersborden en het wegdek tonen, aangevuld met de schade van beide auto's en het kenteken van de tegenpartij. Een foto van iemands gezicht of rijbewijs vraagt toestemming en voegt niets toe aan de toedracht.
14. Waarom vraagt een taxichauffeur direct na een aanrijding aan omstanders of zij het ongeval hebben gezien?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt getuigen naast foto's en het schadeformulier als middel om de toedracht van een ongeval vast te leggen. Betrokkenen spreken elkaar vaak tegen; een omstander die niets met beide partijen te maken heeft, geeft de verzekeraars houvast. Getuigen zijn niet verplicht hun gegevens te geven, dus vraag het vriendelijk en noteer meteen naam en telefoonnummer.
15. Na een aanrijding staat de taxi met vier passagiers half op de rijbaan van een drukke 80 km-weg. Wat doet de chauffeur eerst met de passagiers?
Andermans veiligheid uit de PAMAN-regel (toetsterm 5.1 Exameneisen TVT) betekent dat de chauffeur zijn passagiers als eerste uit de gevarenzone haalt. Incident Management van Rijkswaterstaat adviseert uitstappen aan de kant die van het verkeer af ligt en wachten in de berm of achter de vangrail. Een auto die half op de rijbaan staat, kan opnieuw worden geraakt; op de rijbaan gaan staan is nog gevaarlijker.
16. Wat is de functie van de alarmlichten (waarschuwingsknipperlichten) direct na een ongeval?
De alarmlichten horen bij de stap Markeren van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT. Volgens het RVV 1990 mogen waarschuwingsknipperlichten worden gebruikt bij een stilstaand voertuig dat een gevaar vormt of om te waarschuwen voor een gevaar op de weg. Het is de snelste manier om naderend verkeer te attenderen, nog voordat de gevarendriehoek staat.
17. De taxi is na een aanrijding op de autosnelweg niet meer rijklaar. Hoe komt er een berger?
Op autosnelwegen regelt Incident Management van Rijkswaterstaat de berging: na een melding via 112 of de verkeerscentrale wordt een IM-berger ingezet die het voertuig snel van de weg haalt (toetsterm 5.1 Exameneisen TVT). Ook de alarmcentrale van de verzekeraar kan de melding doorzetten. Zelf over de vluchtstrook rijden of een eigen garage regelen vertraagt de afhandeling en brengt iedereen in gevaar.
18. Wat is het belangrijkste doel van Incident Management van Rijkswaterstaat?
Incident Management van Rijkswaterstaat is de samenwerking tussen wegbeheerder, politie, bergers en hulpdiensten om een incident op de rijkswegen snel en veilig af te handelen; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat een taxichauffeur weet hoe hij daarin meewerkt. Een vrije weg voorkomt kop-staartbotsingen in de file achter het incident. De schuldvraag is aan de verzekeraars, boetes aan de politie.
19. Uit de motorruimte van de taxi komt rook na een aanrijding. Wat is de juiste volgorde van handelen?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT past de PAMAN-regel ook toe bij brand: eerst de eigen veiligheid en die van de passagiers, dan markeren, alarmeren en hulp. Bij rook uit de motorruimte zet je de motor af, laat je iedereen uitstappen en bel je 112; een brandblusser is alleen bedoeld voor een beginnend brandje. De motorkap open je hooguit op een kier, want extra lucht wakkert de brand aan.
20. Hoe hoort een brandblusser in een taxi te zijn opgeborgen?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur bij brand doeltreffend handelt; een brandblusser is in Nederland niet wettelijk verplicht in een taxi, maar veel taxibedrijven schrijven er een voor. Een losse blusser wordt bij een aanrijding een projectiel, en een blusser die niet snel te pakken is of waarvan de druk is verlopen, heeft geen waarde. Controleer bevestiging, bereikbaarheid en keuringsdatum bij de voertuigcontrole.
21. Een taxi raakt te water en begint te zinken. Wat is de eerste handeling van de chauffeur?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT behandelt calamiteiten zoals te water raken. De vuistregel van de ANWB en de reddingsdiensten luidt: gordels los, ramen open of een zijruit inslaan met de noodhamer, en direct via het raam naar buiten, eerst de kinderen. Elektrische ramen vallen snel uit en portieren gaan door de waterdruk niet open; wachten tot de auto vol is, is een levensgevaarlijke mythe.
22. Waarvoor dient de noodhamer die in veel taxi's binnen handbereik van de chauffeur is bevestigd?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt te water raken als calamiteit; de ANWB adviseert daarom een noodhamer met gordelsnijder binnen handbereik. De hamer breekt een zijruit (nooit de gelaagde voorruit) en de snijder bevrijdt een passagier wiens gordel klemzit. Hij moet vast gemonteerd zijn: een hamer die in het handschoenenkastje ligt, is bij een ongeval niet te vinden.
23. Een passagier is na een aanrijding bewusteloos maar ademt normaal en heeft geen tekenen van nekletsel. Wat doet de chauffeur?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt de basis van eerste hulp: een bewusteloos slachtoffer dat normaal ademt, leg je in de stabiele zijligging zodat de tong de luchtweg niet blokkeert en braaksel weg kan lopen. Blijf de ademhaling controleren tot de ambulance er is. Borstcompressies zijn alleen nodig als de ademhaling stopt; rechtop zetten of drinken geven is gevaarlijk.
24. Een passagier heeft na een aanrijding een flink bloedende snijwond aan de onderarm. Wat is de juiste eerste hulp?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt basiskennis van eerste hulp na een ongeval. Een uitwendige bloeding stelp je met directe druk met een schone doek of verbandmiddel en door het lichaamsdeel hoog te houden; een knevel is een uiterste middel bij levensbedreigend bloedverlies en hoort niet bij de eerste hulp van een chauffeur. Schoonspoelen komt pas als de bloeding onder controle is.
25. Een fietser ligt na een aanrijding met de taxi op straat en klaagt over pijn in de nek. Mag de chauffeur hem verplaatsen?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt uitdrukkelijk: een slachtoffer met mogelijk nek- of rugletsel niet verplaatsen. Bewegen kan het ruggenmerg beschadigen; alleen bij acuut gevaar, zoals brand of naderend verkeer, weegt verplaatsen zwaarder. De chauffeur stelt het slachtoffer gerust, houdt het hoofd zo stil mogelijk, markeert de plek zodat het verkeer eromheen gaat en wacht op de ambulance.
26. Een slachtoffer reageert niet en ademt niet normaal. Wat doet de taxichauffeur nadat 112 is gebeld?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur weet dat een slachtoffer dat niet reageert en niet normaal ademt, gereanimeerd moet worden. De meldkamer van 112 geeft telefonisch instructies voor borstcompressies en beademing en stuurt zo mogelijk een burgerhulpverlener met een AED. De stabiele zijligging is alleen voor iemand die wel ademt; wachten kost hersencellen.
27. Een gewonde passagier is bleek, klam en trilt na de aanrijding. Wat doet de chauffeur in afwachting van de ambulance?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt de basis van eerste hulp; bleek, klam en trillend zijn tekenen van shock. De juiste zorg is: laten liggen, warm houden met een deken of jas, geruststellen en niets te eten of te drinken geven. Rondlopen of stimulerende dranken verergeren de toestand, en een passagier alleen in een dichte auto zetten betekent dat niemand zijn ademhaling in de gaten houdt.
28. Wat controleert een taxichauffeur aan de verbanddoos die hij voor eerste hulp aan boord heeft?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur noodzakelijke hulp kan geven; daarvoor moet de verbanddoos bruikbaar zijn. Steriel verband en pleisters hebben een houdbaarheidsdatum en de inhoud raakt op na gebruik, dus controleer regelmatig of alles compleet en houdbaar is. Een verbanddoos is niet aan ILT-keuring of verzegeling onderworpen, en een slot maakt hem in nood juist onbereikbaar.
29. Na een lichte aanrijding zonder gewonden wil de passagier direct doorrijden naar zijn afspraak. Wat doet de chauffeur?
Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt de plaats van een ongeval te verlaten voordat de identiteit is vastgesteld; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht daarnaast dat de chauffeur de PAMAN-regel afwerkt. De klant helpt hij door de centrale een andere taxi te laten sturen of, als de auto na controle veilig blijkt, de rit zelf te vervolgen. De schade is een zaak tussen verzekeraars, nooit van de passagier.
30. Een taxichauffeur is na een aanrijding erg geschrokken maar lijkt ongedeerd. Waarom meldt hij dit toch aan zijn werkgever voordat hij verder rijdt?
De Arbeidsomstandighedenwet maakt de werkgever verantwoordelijk voor veilige arbeidsomstandigheden en verplicht de werknemer gevaren te melden; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt het melden bij het bedrijf als vast onderdeel van het handelen na een ongeval. Adrenaline maskeert letsel en schrik vermindert de concentratie. Samen beslissen chauffeur en planning of hij de dienst afmaakt of wordt afgelost.
31. Op welke afstand plaatst een chauffeur de gevarendriehoek na een ongeval op een autosnelweg, als dat veilig kan?
Incident Management van Rijkswaterstaat en toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT geven als richtlijn tot 100 meter op de autosnelweg, tegenover ongeveer 30 meter binnen de bebouwde kom. De eigen veiligheid gaat echter voor: de driehoek plaats je alleen als je via de berm of achter de vangrail kunt lopen. Kun je dat niet veilig, dan volstaan de alarmlichten en wacht je achter de vangrail op de hulpdiensten.
32. Waarom loopt een chauffeur na een ongeval op de autosnelweg nooit over de rijbaan naar de andere kant?
Persoonlijke veiligheid, de eerste stap van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT, gaat boven alles. Incident Management van Rijkswaterstaat waarschuwt dat een voetganger op de rijbaan van een autosnelweg bij 100 tot 130 km/u door bestuurders pas op enkele seconden afstand wordt opgemerkt en dat uitwijken dan onmogelijk is. Blijf daarom altijd aan de bermkant, achter de vangrail.
33. Een taxichauffeur rijdt 's nachts een ree aan op een provinciale weg. Het dier ligt gewond in de berm. Wat doet hij?
Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT past de PAMAN-regel ook toe op een aanrijding met een dier. De politie en Rijkswaterstaat vragen een aangereden ree of ander groot wild altijd te melden: een gewond dier naast de weg is een gevaar en mag alleen door een bevoegde persoon worden benaderd of uit zijn lijden verlost. Zelf vervoeren is gevaarlijk en niet toegestaan; doorrijden laat een gevaarlijke situatie achter.
34. Welke gegevens wisselt een taxichauffeur na een aanrijding minimaal uit met de andere bestuurder?
Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 eist dat de identiteit van de betrokkenen en hun voertuigen kan worden vastgesteld; het Europees schadeformulier uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt precies die gegevens: naam en adres, kenteken, verzekeraar en polisnummer, plus plaats, datum en tijd. Een burgerservicenummer of bankrekening hoort daar niet bij en geef je nooit; het kenteken alleen is te weinig als de ander onverzekerd blijkt.
35. De andere bestuurder vraagt de taxichauffeur ter plaatse een briefje te tekenen waarin hij de schuld erkent. Wat doet de chauffeur?
Volgens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen beoordeelt de verzekeraar de aansprakelijkheid, en de polisvoorwaarden verbieden de verzekerde meestal om schuld te erkennen. Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur zich beperkt tot het feitelijk invullen van het schadeformulier. Een ondertekende schuldbekentenis kan de dekking in gevaar brengen en de werkgever met de schade opzadelen.