TaxiChauffeursExamen

🆘 Ongevallen, calamiteiten, communicatie en geografie

Waarover dit onderdeel gaat

Eindtermen 5, 6 en 11 van de Exameneisen TVT: handelen bij een ongeval en bij verstoringen (toetstermen 5.1 tot en met 5.3), communicatie met passagier en bedrijf en het gebruik van communicatieapparatuur (6.1 en 6.2), en de globale geografie van Nederland met bewegwijzering en navigatie (11.2 en 11.3). Het oefenexamen volgt het format vanaf 1 oktober 2026: 40 losse vragen, 60 minuten, 32 goed om te slagen.

Handelen bij een ongeval

De chauffeur werkt de PAMAN-regel in vaste volgorde af: Persoonlijke veiligheid (hesje aan, niet de rijbaan op), Andermans veiligheid (passagiers achter de vangrail of op een veilige plek, alarmlichten aan), Markeren (gevarendriehoek op ongeveer 30 meter binnen de bebouwde kom, tot 100 meter op de autosnelweg), Alarmeren (112 bij gewonden, brand of gevaar) en Noodzakelijke hulp (stabiele zijligging, bloeding stelpen, bij mogelijk nekletsel niet verplaatsen). Op de autosnelweg geldt het Incident Management van Rijkswaterstaat: auto op de vluchtstrook, iedereen achter de vangrail, wachten op weginspecteur of berger. Artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het verlaten van de plaats van een ongeval; het Europees schadeformulier wordt samen ingevuld.

Melden, storingen en stremmingen

112 is voor spoed (gewonden, brand, acuut gevaar); 0900-8844 is de politie zonder spoed. De melder noemt de locatie (weg, rijrichting, hectometerpaal of straat en huisnummer), de aard van het incident, het aantal gewonden en de gevaren. Bij pech, file of stremming raadpleegt de chauffeur de verkeersinformatie, kiest een omleiding, informeert de passagier over vertraging en ritprijs en waarschuwt de centrale, bij contractvervoer ook de opdrachtgever.

Communicatie en apparatuur

Eindterm 6: de passagier vooraf informeren over ritprijs, route en verwachte tijd, in Nederlands op B1-niveau, zonder discussie in de auto; het bedrijf of de centrale op de hoogte houden van afwijkingen en incidenten. Portofoon, mobilofoon en centrale-app worden kort en zakelijk gebruikt; bellen gebeurt uitsluitend handsfree, want artikel 61a RVV 1990 verbiedt het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. De navigatie wordt vóór de rit ingesteld.

Geografie, bewegwijzering en navigatie

Toetsterm 11.2 verwacht globale kennis van de twaalf provincies met hun hoofdsteden en van de belangrijkste A-wegen: A1 (Amsterdam-Amersfoort-Apeldoorn-Hengelo), A2 (Amsterdam-Utrecht-'s-Hertogenbosch-Eindhoven-Maastricht), A4 (Amsterdam-Schiphol-Den Haag-Rotterdam), A28 (Utrecht-Amersfoort-Zwolle-Groningen) en knooppunten als Oudenrijn, Hoevelaken en Ridderkerk. Bewegwijzering van de Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBd): blauwe borden met witte letters voor autosnelwegen, gele borden voor N-wegen en lokale bestemmingen; hectometerpalen geven de positie, U-routes zijn uitwijkroutes bij een stremming. Toetsterm 11.3: een verkeersbord gaat altijd voor de navigatie; bij uitval gebruikt de chauffeur de bewegwijzering, de centrale of de passagier.

Zo wordt het gevraagd

Situatievragen (taxonomie B) over de volgorde van PAMAN, welk nummer wanneer en wat de chauffeur tegen een passagier zegt bij vertraging; kennisvragen (taxonomie F) over kleuren van borden, wegnummers en provinciehoofdsteden. Veelgemaakte fouten: eerst 112 bellen en dan pas de eigen veiligheid regelen, de gevarendriehoek te dichtbij zetten, 0900-8844 bellen bij gewonden, de navigatie boven een bord stellen.

Doe de gratis oefentoets · volledige vragenbank en proefexamens met het maandabonnement

Voorbeeldvragen (35)

1. Waar staat de letter P in de PAMAN-regel voor, die een taxichauffeur bij een ongeval als eerste toepast?

  1. Politie bellen: de hulpdiensten waarschuwen voordat iets anders gebeurt
  2. Persoonlijke veiligheid: eerst zorgen dat de chauffeur zelf niet in gevaar komt
  3. Passagiers tellen: controleren of iedereen nog in de taxi aanwezig is
  4. Plaats markeren: de gevarendriehoek op afstand achter de taxi zetten

De PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT begint met Persoonlijke veiligheid. Pas als de chauffeur zelf veilig staat, volgen Andermans veiligheid, Markeren, Alarmeren en Noodzakelijke hulp. Wie meteen gaat bellen of helpen zonder eerst zichzelf in veiligheid te brengen, loopt kans zelf slachtoffer te worden en kan dan niemand meer helpen.

2. In welke volgorde handelt een taxichauffeur volgens de PAMAN-regel na een aanrijding?

  1. Eerst alarmeren, dan markeren, daarna de eigen veiligheid en pas als laatste hulp verlenen
  2. Noodzakelijke hulp aan gewonden, daarna markeren, alarmeren en de eigen veiligheid
  3. Eigen veiligheid, veiligheid van anderen, markeren, alarmeren en dan noodzakelijke hulp
  4. Markeren van de plaats, alarmeren, anderen waarschuwen en daarna eigen veiligheid

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT legt de PAMAN-volgorde vast: Persoonlijke veiligheid, Andermans veiligheid, Markeren, Alarmeren, Noodzakelijke hulp. De volgorde is logisch: wie zelf veilig is en de plek heeft gemarkeerd, voorkomt een tweede ongeval; daarna zorgt alarmeren dat professionele hulp onderweg is voordat de chauffeur zelf eerste hulp geeft.

3. Een taxichauffeur heeft een kop-staartbotsing op een provinciale weg. Wat valt onder de A van Andermans veiligheid?

  1. De schade aan beide auto's uitgebreid fotograferen voordat ze aan de kant worden gezet
  2. De andere bestuurder om zijn verzekeringsgegevens, rijbewijs en het kenteken vragen
  3. Passagiers en andere betrokkenen uit de gevarenzone naar een veilige plek halen
  4. De alarmcentrale van de verzekeraar bellen om een berger te laten komen

Andermans veiligheid is de tweede stap van de PAMAN-regel in toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT: zodra de chauffeur zelf veilig is, brengt hij passagiers, de andere bestuurder en omstanders buiten het bereik van het verkeer, bij voorkeur in de berm of achter de vangrail. Foto's, gegevens uitwisselen en de berger regelen komen pas nadat de plek gemarkeerd is en hulp is gealarmeerd.

4. Op welke afstand achter de taxi plaatst een chauffeur de gevarendriehoek na een ongeval binnen de bebouwde kom?

  1. Op ongeveer 30 meter, zodat het verkeer op tijd kan afremmen
  2. Op ongeveer 5 meter, direct achter de bumper van de beschadigde taxi
  3. Op ongeveer 150 meter, omdat het verkeer in de stad snel nadert
  4. Op ongeveer 100 meter, dezelfde afstand als op een autosnelweg

Incident Management van Rijkswaterstaat en toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT hanteren als vuistregel ongeveer 30 meter binnen de bebouwde kom en tot 100 meter op een autosnelweg. De driehoek staat er om naderend verkeer te waarschuwen: te dichtbij ziet men hem te laat, te ver weg verliest hij zijn verband met de plaats van het ongeval. Zet daarnaast altijd de alarmlichten aan.

5. Wat houdt de stap Alarmeren uit de PAMAN-regel in voor een taxichauffeur die betrokken is bij een ongeval?

  1. De alarmlichten van de taxi inschakelen zodat het naderende verkeer wordt gewaarschuwd
  2. Een claxonsignaal geven om andere weggebruikers op de aanrijding te attenderen
  3. De hulpdiensten waarschuwen bij gewonden of gevaar en daarna de centrale van het bedrijf
  4. De passagiers luid waarschuwen dat zij de taxi onmiddellijk moeten verlaten

Alarmeren is de vierde stap van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT: de hulpdiensten inschakelen zodra de situatie dat vraagt en het taxibedrijf op de hoogte brengen. Alarmlichten en de gevarendriehoek horen bij Markeren, het waarschuwen van passagiers bij Andermans veiligheid. Pas na het alarmeren verleent de chauffeur zelf noodzakelijke hulp.

6. Wat verstaat de PAMAN-regel onder Noodzakelijke hulp?

  1. Alle betrokkenen een verklaring laten opschrijven over de toedracht van het ongeval
  2. De gewonden zo snel mogelijk met de taxi naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis brengen
  3. De volledige medische behandeling van alle gewonden overnemen tot de ambulance ter plaatse is
  4. Eerste hulp die niet kan wachten, zoals een bloeding stelpen of iemand op de zij leggen

Noodzakelijke hulp is de laatste stap van de PAMAN-regel in toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT. Het gaat om de eerste hulp die niet kan wachten tot de ambulance er is: een ernstige bloeding stelpen, een bewusteloos slachtoffer dat ademt op de zij leggen, of reanimeren op aanwijzing van de meldkamer. Gewonden zelf vervoeren of een behandeling overnemen hoort daar niet bij.

7. Een taxi komt na een aanrijding op de vluchtstrook van een autosnelweg tot stilstand. Waar wachten chauffeur en passagiers op hulp?

  1. In de taxi met de gordel om, omdat de carrosserie bescherming biedt tegen een aanrijding
  2. Op de vluchtstrook naast de taxi, zodat de berger en de politie hen meteen kunnen zien
  3. Buiten de auto achter de vangrail, zo ver mogelijk van de rijbaan, met een hesje aan
  4. Op de rijbaan achter de taxi, met de armen zwaaiend om het verkeer te laten stoppen

Incident Management van Rijkswaterstaat is duidelijk: na een ongeval of pech op de autosnelweg verlaat iedereen de auto aan de kant van de berm en wacht achter de vangrail, ver van de rijbaan. Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur dit toepast. Een stilstaande auto op de vluchtstrook wordt regelmatig aangereden; in of naast de auto blijven is daarom levensgevaarlijk.

8. Waarom draagt een taxichauffeur een veiligheidshesje zodra hij na een ongeval de auto verlaat?

  1. Zodat de verzekeraar ziet dat hij de voorschriften heeft nageleefd
  2. Zodat hij voor het naderende verkeer goed zichtbaar is
  3. Zodat de berger direct weet welk voertuig hij moet wegslepen
  4. Zodat de politie hem herkent als de bestuurder van de taxi

Het veiligheidshesje hoort bij de stap Markeren van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT en bij de adviezen van Incident Management van Rijkswaterstaat. Een persoon in het donker of in de regen langs de weg is zonder reflecterend hesje pas op korte afstand zichtbaar; met hesje ziet naderend verkeer hem honderden meters eerder. Bewaar het hesje daarom binnen handbereik in de cabine, niet in de kofferbak.

9. Een taxichauffeur raakt bij het achteruitrijden een geparkeerde auto. De eigenaar is niet aanwezig. Wat moet hij doen?

  1. Wachten of zijn gegevens achterlaten en de aanrijding melden, zodat de eigenaar hem kan vinden
  2. De schade fotograferen en pas de volgende dag bij zijn werkgever een melding doen
  3. Doorrijden als de schade klein is, omdat er niemand aanwezig is die schade kan claimen
  4. Alleen de politie via 112 bellen en dan de rit voortzetten zonder verdere actie

Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het verlaten van de plaats van een ongeval als daardoor de identiteit van de betrokkene niet kan worden vastgesteld; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT toetst dit. Wie binnen twaalf uur vrijwillig zijn identiteit bij de politie meldt, is niet strafbaar. Een briefje met naam, kenteken en telefoonnummer achterlaten en de aanrijding melden bij politie en werkgever is de juiste handelwijze.

10. Wat verbiedt artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 nog meer dan het onbekend blijven van de identiteit na een ongeval?

  1. Het achterlaten van een slachtoffer dat in hulpeloze toestand verkeert zonder hulp
  2. Het verplaatsen van een voertuig voordat de politie de plaats van het ongeval heeft bekeken
  3. Het invullen van het schadeformulier zonder dat een agent daarbij aanwezig is
  4. Het vervoeren van passagiers na een aanrijding voordat de auto is gekeurd

Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 kent twee verboden: de plaats van het ongeval verlaten zonder dat de identiteit kan worden vastgesteld, en iemand die door het ongeval in hulpeloze toestand verkeert zonder hulp achterlaten. Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT koppelt dit aan de PAMAN-regel. Voertuigen verplaatsen na foto's, een schadeformulier zonder agent invullen en verder rijden zijn op zichzelf toegestaan.

11. De andere bestuurder wil na een aanrijding het Europees schadeformulier niet ondertekenen. Wat doet de taxichauffeur?

  1. Hij houdt de andere bestuurder tegen totdat de politie is gearriveerd om de zaak te regelen
  2. Hij vult zijn deel in, noteert kenteken en getuigen en meldt dat de ander niet tekende
  3. Hij laat het formulier weg omdat het zonder twee handtekeningen geen waarde heeft
  4. Hij eist dat de ander alsnog tekent, omdat zonder handtekening de verzekering niets uitkeert

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt het Europees schadeformulier als middel om de toedracht vast te leggen; de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen laat de verzekeraars daarna de aansprakelijkheid beoordelen. Weigert de ander te tekenen, dan vult de chauffeur zijn eigen kolom in, noteert kenteken, tijd en plaats, vraagt getuigen om contactgegevens en maakt foto's. Iemand vasthouden mag niet; de politie kan wel worden gebeld.

12. Wat betekent de handtekening van de taxichauffeur op de voorzijde van het Europees schadeformulier?

  1. Dat zijn werkgever de schade aan de andere auto rechtstreeks zal vergoeden
  2. Dat hij instemt met de beschreven feiten, niet dat hij schuld erkent
  3. Dat hij de volledige schuld voor de aanrijding op zich neemt tegenover de verzekeraar
  4. Dat hij afziet van zijn recht om later getuigen of foto's in te brengen

Volgens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen beoordeelt de verzekeraar wie aansprakelijk is; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur het schadeformulier daarom alleen als feitenverslag gebruikt. De handtekening bevestigt de ingevulde situatieschets, kruisjes en gegevens. Schuld erkennen is in de meeste polisvoorwaarden zelfs verboden, en getuigen of foto's blijven achteraf altijd bruikbaar.

13. Welke foto's zijn na een aanrijding het nuttigst voor de afhandeling van de schade?

  1. Alleen close-ups van de schade aan de taxi, omdat de rest voor de verzekeraar niet telt
  2. Overzicht van de situatie, de stand van beide auto's, de schade en het kenteken van de ander
  3. Een foto van het rijbewijs van de andere bestuurder en van zijn gezicht als bewijs
  4. Een selfie op de plaats van het ongeval, zodat de werkgever ziet dat de chauffeur er was

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT rekent foto's en getuigen tot de vastlegging van een ongeval. Verzekeraars hebben het meest aan overzichtsfoto's die de positie van de voertuigen, de rijrichting, verkeersborden en het wegdek tonen, aangevuld met de schade van beide auto's en het kenteken van de tegenpartij. Een foto van iemands gezicht of rijbewijs vraagt toestemming en voegt niets toe aan de toedracht.

14. Waarom vraagt een taxichauffeur direct na een aanrijding aan omstanders of zij het ongeval hebben gezien?

  1. Omdat een neutrale getuige later de toedracht kan bevestigen als de lezingen verschillen
  2. Omdat de verzekeraar zonder getuigen geen enkele schade aan de taxi zal vergoeden
  3. Omdat de politie alleen ter plaatse komt wanneer er minstens twee onafhankelijke getuigen zijn
  4. Omdat omstanders wettelijk verplicht zijn hun naam aan de betrokkenen te geven

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt getuigen naast foto's en het schadeformulier als middel om de toedracht van een ongeval vast te leggen. Betrokkenen spreken elkaar vaak tegen; een omstander die niets met beide partijen te maken heeft, geeft de verzekeraars houvast. Getuigen zijn niet verplicht hun gegevens te geven, dus vraag het vriendelijk en noteer meteen naam en telefoonnummer.

15. Na een aanrijding staat de taxi met vier passagiers half op de rijbaan van een drukke 80 km-weg. Wat doet de chauffeur eerst met de passagiers?

  1. Hij laat hen aan de kant van de berm uitstappen en brengt hen op afstand van de rijbaan
  2. Hij vraagt hen op de rijbaan achter de taxi te gaan staan om het verkeer te waarschuwen
  3. Hij laat hen in de taxi zitten met de gordels om totdat de politie het verkeer heeft geregeld
  4. Hij laat hen eerst het schadeformulier ondertekenen als getuigen van de aanrijding

Andermans veiligheid uit de PAMAN-regel (toetsterm 5.1 Exameneisen TVT) betekent dat de chauffeur zijn passagiers als eerste uit de gevarenzone haalt. Incident Management van Rijkswaterstaat adviseert uitstappen aan de kant die van het verkeer af ligt en wachten in de berm of achter de vangrail. Een auto die half op de rijbaan staat, kan opnieuw worden geraakt; op de rijbaan gaan staan is nog gevaarlijker.

16. Wat is de functie van de alarmlichten (waarschuwingsknipperlichten) direct na een ongeval?

  1. Aan de politie tonen dat de taxi na de aanrijding niet meer mag rijden
  2. Aangeven dat de chauffeur het schadeformulier aan het invullen is
  3. De hulpdiensten laten zien waar de plaats van het ongeval is
  4. Het naderende verkeer waarschuwen dat de taxi stilstaat

De alarmlichten horen bij de stap Markeren van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT. Volgens het RVV 1990 mogen waarschuwingsknipperlichten worden gebruikt bij een stilstaand voertuig dat een gevaar vormt of om te waarschuwen voor een gevaar op de weg. Het is de snelste manier om naderend verkeer te attenderen, nog voordat de gevarendriehoek staat.

17. De taxi is na een aanrijding op de autosnelweg niet meer rijklaar. Hoe komt er een berger?

  1. De chauffeur zoekt zelf een garage in de buurt en laat die de taxi ophalen
  2. Via 112 of de verkeerscentrale stuurt Incident Management een berger naar de plek
  3. De chauffeur rijdt stapvoets over de vluchtstrook naar de eerstvolgende afrit
  4. De passagiers bellen een andere taxi en de chauffeur wacht op zijn werkgever

Op autosnelwegen regelt Incident Management van Rijkswaterstaat de berging: na een melding via 112 of de verkeerscentrale wordt een IM-berger ingezet die het voertuig snel van de weg haalt (toetsterm 5.1 Exameneisen TVT). Ook de alarmcentrale van de verzekeraar kan de melding doorzetten. Zelf over de vluchtstrook rijden of een eigen garage regelen vertraagt de afhandeling en brengt iedereen in gevaar.

18. Wat is het belangrijkste doel van Incident Management van Rijkswaterstaat?

  1. De schuldvraag bij ongevallen op rijkswegen ter plaatse vaststellen namens de verzekeraars
  2. Beroepschauffeurs opleiden in het verlenen van eerste hulp bij ongevallen op de snelweg
  3. De weg na een incident snel en veilig vrijmaken om files en vervolgongevallen te beperken
  4. Het uitdelen van boetes aan bestuurders die na pech op de vluchtstrook blijven staan

Incident Management van Rijkswaterstaat is de samenwerking tussen wegbeheerder, politie, bergers en hulpdiensten om een incident op de rijkswegen snel en veilig af te handelen; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat een taxichauffeur weet hoe hij daarin meewerkt. Een vrije weg voorkomt kop-staartbotsingen in de file achter het incident. De schuldvraag is aan de verzekeraars, boetes aan de politie.

19. Uit de motorruimte van de taxi komt rook na een aanrijding. Wat is de juiste volgorde van handelen?

  1. Passagiers eruit, motor uit, afstand houden en alleen een beginnend brandje zelf blussen
  2. Doorrijden naar de dichtstbijzijnde brandweerkazerne, zodat de brandweer de brand kan blussen
  3. De motorkap helemaal openen zodat de rook weg kan en de brand vanzelf minder zuurstof krijgt
  4. De blusser meteen leegspuiten in de motorruimte voordat de passagiers zijn uitgestapt

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT past de PAMAN-regel ook toe bij brand: eerst de eigen veiligheid en die van de passagiers, dan markeren, alarmeren en hulp. Bij rook uit de motorruimte zet je de motor af, laat je iedereen uitstappen en bel je 112; een brandblusser is alleen bedoeld voor een beginnend brandje. De motorkap open je hooguit op een kier, want extra lucht wakkert de brand aan.

20. Hoe hoort een brandblusser in een taxi te zijn opgeborgen?

  1. Los in de kofferbak, zodat hij bij een aanrijding niemand kan verwonden
  2. In het handschoenenkastje, afgesloten zodat passagiers er niet bij kunnen
  3. Stevig bevestigd, goed bereikbaar en met een geldige keuringsdatum
  4. Onder de bijrijdersstoel, buiten het zicht van passagiers en controleurs

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur bij brand doeltreffend handelt; een brandblusser is in Nederland niet wettelijk verplicht in een taxi, maar veel taxibedrijven schrijven er een voor. Een losse blusser wordt bij een aanrijding een projectiel, en een blusser die niet snel te pakken is of waarvan de druk is verlopen, heeft geen waarde. Controleer bevestiging, bereikbaarheid en keuringsdatum bij de voertuigcontrole.

21. Een taxi raakt te water en begint te zinken. Wat is de eerste handeling van de chauffeur?

  1. Wachten tot de auto volledig onder water staat, zodat de portieren makkelijk opengaan
  2. Gordels los, raam openen of ruit inslaan en zo snel mogelijk met de passagiers de auto verlaten
  3. De centrale bellen om de exacte locatie door te geven voordat iemand de auto verlaat
  4. De motor afzetten en de alarmlichten aandoen zodat de hulpdiensten de auto vinden

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT behandelt calamiteiten zoals te water raken. De vuistregel van de ANWB en de reddingsdiensten luidt: gordels los, ramen open of een zijruit inslaan met de noodhamer, en direct via het raam naar buiten, eerst de kinderen. Elektrische ramen vallen snel uit en portieren gaan door de waterdruk niet open; wachten tot de auto vol is, is een levensgevaarlijke mythe.

22. Waarvoor dient de noodhamer die in veel taxi's binnen handbereik van de chauffeur is bevestigd?

  1. Om na een ongeval de klemzittende portieren van een andere auto open te kunnen breken
  2. Om de gevarendriehoek stevig in de berm te slaan bij harde wind op de snelweg
  3. Om een zijruit in te slaan en gordels los te snijden als de auto te water raakt
  4. Om een vastgelopen taxameter of boordcomputer na een aanrijding te resetten

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt te water raken als calamiteit; de ANWB adviseert daarom een noodhamer met gordelsnijder binnen handbereik. De hamer breekt een zijruit (nooit de gelaagde voorruit) en de snijder bevrijdt een passagier wiens gordel klemzit. Hij moet vast gemonteerd zijn: een hamer die in het handschoenenkastje ligt, is bij een ongeval niet te vinden.

23. Een passagier is na een aanrijding bewusteloos maar ademt normaal en heeft geen tekenen van nekletsel. Wat doet de chauffeur?

  1. Hij zet de passagier rechtop in de stoel en geeft hem water te drinken om bij te komen
  2. Hij legt de passagier in de stabiele zijligging en let op de ademhaling tot hulp komt
  3. Hij begint direct met borstcompressies totdat de passagier bij kennis komt
  4. Hij laat de passagier op de rug liggen met het hoofd iets omhoog en wacht op de ambulance

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt de basis van eerste hulp: een bewusteloos slachtoffer dat normaal ademt, leg je in de stabiele zijligging zodat de tong de luchtweg niet blokkeert en braaksel weg kan lopen. Blijf de ademhaling controleren tot de ambulance er is. Borstcompressies zijn alleen nodig als de ademhaling stopt; rechtop zetten of drinken geven is gevaarlijk.

24. Een passagier heeft na een aanrijding een flink bloedende snijwond aan de onderarm. Wat is de juiste eerste hulp?

  1. De arm langs het lichaam laten hangen zodat het bloed vanzelf minder snel stroomt
  2. Een knevel strak boven de wond aanleggen om de bloedtoevoer helemaal af te sluiten
  3. De wond met water uit de fles schoonspoelen en open laten drogen aan de lucht
  4. Druk op de wond uitoefenen met een schone doek en de arm omhoog houden

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt basiskennis van eerste hulp na een ongeval. Een uitwendige bloeding stelp je met directe druk met een schone doek of verbandmiddel en door het lichaamsdeel hoog te houden; een knevel is een uiterste middel bij levensbedreigend bloedverlies en hoort niet bij de eerste hulp van een chauffeur. Schoonspoelen komt pas als de bloeding onder controle is.

25. Een fietser ligt na een aanrijding met de taxi op straat en klaagt over pijn in de nek. Mag de chauffeur hem verplaatsen?

  1. Nee, tenzij er direct levensgevaar dreigt; hij houdt het hoofd stil en wacht op de ambulance
  2. Ja, hij legt hem in de stabiele zijligging omdat dat bij elk slachtoffer de standaard is
  3. Ja, hij zet hem op de stoep zodat de rijbaan vrijkomt en het verkeer weer kan doorrijden
  4. Nee, hij mag hem niet aanraken en moet ook zijn helm en jas onaangeroerd laten

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt uitdrukkelijk: een slachtoffer met mogelijk nek- of rugletsel niet verplaatsen. Bewegen kan het ruggenmerg beschadigen; alleen bij acuut gevaar, zoals brand of naderend verkeer, weegt verplaatsen zwaarder. De chauffeur stelt het slachtoffer gerust, houdt het hoofd zo stil mogelijk, markeert de plek zodat het verkeer eromheen gaat en wacht op de ambulance.

26. Een slachtoffer reageert niet en ademt niet normaal. Wat doet de taxichauffeur nadat 112 is gebeld?

  1. Hij legt het slachtoffer in de stabiele zijligging en wacht rustig tot de ambulance arriveert
  2. Hij schudt het slachtoffer wakker en geeft water om de ademhaling weer op gang te brengen
  3. Hij dekt het slachtoffer warm toe en houdt op afstand de wacht tot de hulpdiensten komen
  4. Hij begint met reanimeren en volgt de aanwijzingen van de meldkamer tot de ambulance er is

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur weet dat een slachtoffer dat niet reageert en niet normaal ademt, gereanimeerd moet worden. De meldkamer van 112 geeft telefonisch instructies voor borstcompressies en beademing en stuurt zo mogelijk een burgerhulpverlener met een AED. De stabiele zijligging is alleen voor iemand die wel ademt; wachten kost hersencellen.

27. Een gewonde passagier is bleek, klam en trilt na de aanrijding. Wat doet de chauffeur in afwachting van de ambulance?

  1. Hij zet hem in de taxi met de verwarming hoog en sluit alle ramen en deuren
  2. Hij geeft de passagier een sterke koffie of iets zoets om de bloeddruk snel te laten stijgen
  3. Hij laat de passagier rondlopen om de bloedsomloop op gang te houden tot de ambulance komt
  4. Hij laat hem liggen, dekt hem toe tegen afkoeling en blijft rustig tegen hem praten

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt de basis van eerste hulp; bleek, klam en trillend zijn tekenen van shock. De juiste zorg is: laten liggen, warm houden met een deken of jas, geruststellen en niets te eten of te drinken geven. Rondlopen of stimulerende dranken verergeren de toestand, en een passagier alleen in een dichte auto zetten betekent dat niemand zijn ademhaling in de gaten houdt.

28. Wat controleert een taxichauffeur aan de verbanddoos die hij voor eerste hulp aan boord heeft?

  1. Of de inhoud compleet is en de houdbaarheidsdatum niet is verstreken
  2. Of de doos door de ILT is gekeurd en van een geldige verzegeling is voorzien
  3. Of de doos het logo van het taxibedrijf en het kenteken van de auto draagt
  4. Of de doos onder de bestuurdersstoel klemvast is gemonteerd met een slot

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur noodzakelijke hulp kan geven; daarvoor moet de verbanddoos bruikbaar zijn. Steriel verband en pleisters hebben een houdbaarheidsdatum en de inhoud raakt op na gebruik, dus controleer regelmatig of alles compleet en houdbaar is. Een verbanddoos is niet aan ILT-keuring of verzegeling onderworpen, en een slot maakt hem in nood juist onbereikbaar.

29. Na een lichte aanrijding zonder gewonden wil de passagier direct doorrijden naar zijn afspraak. Wat doet de chauffeur?

  1. Hij rijdt meteen door, want de belangen van de klant gaan bij een kleine schade altijd voor
  2. Hij wisselt eerst de gegevens uit en controleert de auto, of laat een collega de klant ophalen
  3. Hij laat de passagier de schade betalen omdat die haast had en de rit wilde voortzetten
  4. Hij weigert de passagier verder te helpen totdat de politie ter plaatse is geweest

Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt de plaats van een ongeval te verlaten voordat de identiteit is vastgesteld; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht daarnaast dat de chauffeur de PAMAN-regel afwerkt. De klant helpt hij door de centrale een andere taxi te laten sturen of, als de auto na controle veilig blijkt, de rit zelf te vervolgen. De schade is een zaak tussen verzekeraars, nooit van de passagier.

30. Een taxichauffeur is na een aanrijding erg geschrokken maar lijkt ongedeerd. Waarom meldt hij dit toch aan zijn werkgever voordat hij verder rijdt?

  1. Omdat de werkgever verplicht is elke aanrijding binnen een uur aan de ILT en politie te melden
  2. Omdat de werkgever anders de schade aan de taxi op het loon van de chauffeur mag inhouden
  3. Omdat de verzekeraar alleen uitkeert als de werkgever binnen een uur is ingelicht
  4. Omdat schrik zijn rijgedrag beïnvloedt en de werkgever moet beslissen of hij veilig doorrijdt

De Arbeidsomstandighedenwet maakt de werkgever verantwoordelijk voor veilige arbeidsomstandigheden en verplicht de werknemer gevaren te melden; toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT noemt het melden bij het bedrijf als vast onderdeel van het handelen na een ongeval. Adrenaline maskeert letsel en schrik vermindert de concentratie. Samen beslissen chauffeur en planning of hij de dienst afmaakt of wordt afgelost.

31. Op welke afstand plaatst een chauffeur de gevarendriehoek na een ongeval op een autosnelweg, als dat veilig kan?

  1. Op ongeveer 30 meter, dezelfde afstand als binnen de bebouwde kom, midden op de vluchtstrook
  2. Op ongeveer 300 meter, omdat het verkeer op de autosnelweg met wel 130 km/u kan naderen
  3. Op ongeveer 10 meter achter de taxi, zodat de driehoek niet door de wind omvalt
  4. Op ongeveer 100 meter, lopend via de berm of achter de vangrail, nooit over de rijbaan

Incident Management van Rijkswaterstaat en toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT geven als richtlijn tot 100 meter op de autosnelweg, tegenover ongeveer 30 meter binnen de bebouwde kom. De eigen veiligheid gaat echter voor: de driehoek plaats je alleen als je via de berm of achter de vangrail kunt lopen. Kun je dat niet veilig, dan volstaan de alarmlichten en wacht je achter de vangrail op de hulpdiensten.

32. Waarom loopt een chauffeur na een ongeval op de autosnelweg nooit over de rijbaan naar de andere kant?

  1. Omdat de verkeerscentrale de rijbaan dan niet kan vrijgeven aan de berger
  2. Omdat de boete voor een voetganger op de rijbaan hoger is dan de schade
  3. Omdat de camera's van Rijkswaterstaat hem dan als spookrijder registreren
  4. Omdat naderend verkeer hem te laat ziet en niet kan uitwijken

Persoonlijke veiligheid, de eerste stap van de PAMAN-regel uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT, gaat boven alles. Incident Management van Rijkswaterstaat waarschuwt dat een voetganger op de rijbaan van een autosnelweg bij 100 tot 130 km/u door bestuurders pas op enkele seconden afstand wordt opgemerkt en dat uitwijken dan onmogelijk is. Blijf daarom altijd aan de bermkant, achter de vangrail.

33. Een taxichauffeur rijdt 's nachts een ree aan op een provinciale weg. Het dier ligt gewond in de berm. Wat doet hij?

  1. Hij tilt het dier zelf in de kofferbak en brengt het naar de dichtstbijzijnde dierenarts
  2. Hij belt de politie voor deskundige hulp aan het dier en meldt de schade bij zijn werkgever
  3. Hij rijdt door, want een aanrijding met een wild dier hoeft nergens te worden gemeld
  4. Hij probeert het dier de berm in te jagen zodat het verkeer geen hinder ondervindt

Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT past de PAMAN-regel ook toe op een aanrijding met een dier. De politie en Rijkswaterstaat vragen een aangereden ree of ander groot wild altijd te melden: een gewond dier naast de weg is een gevaar en mag alleen door een bevoegde persoon worden benaderd of uit zijn lijden verlost. Zelf vervoeren is gevaarlijk en niet toegestaan; doorrijden laat een gevaarlijke situatie achter.

34. Welke gegevens wisselt een taxichauffeur na een aanrijding minimaal uit met de andere bestuurder?

  1. Naam, adres, burgerservicenummer, bankrekening en een kopie van het rijbewijs van allebei
  2. Alleen het kenteken, omdat de verzekeraar daarmee alle andere gegevens kan opzoeken
  3. Naam, adres, kenteken, verzekeraar en polisnummer, en de plaats en tijd van de aanrijding
  4. Alleen het telefoonnummer van de taxicentrale en het nummer van de chauffeurskaart

Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 eist dat de identiteit van de betrokkenen en hun voertuigen kan worden vastgesteld; het Europees schadeformulier uit toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT vraagt precies die gegevens: naam en adres, kenteken, verzekeraar en polisnummer, plus plaats, datum en tijd. Een burgerservicenummer of bankrekening hoort daar niet bij en geef je nooit; het kenteken alleen is te weinig als de ander onverzekerd blijkt.

35. De andere bestuurder vraagt de taxichauffeur ter plaatse een briefje te tekenen waarin hij de schuld erkent. Wat doet de chauffeur?

  1. Hij tekent niet en laat de schuldvraag aan de verzekeraars over op basis van de feiten
  2. Hij tekent alleen als de andere bestuurder ook een verklaring over zijn eigen snelheid tekent
  3. Hij tekent, omdat een schuldbekentenis ter plaatse de afhandeling van de schade sneller maakt
  4. Hij tekent, maar zet erbij dat zijn werkgever de verklaring nog moet goedkeuren

Volgens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen beoordeelt de verzekeraar de aansprakelijkheid, en de polisvoorwaarden verbieden de verzekerde meestal om schuld te erkennen. Toetsterm 5.1 van de Exameneisen TVT verwacht dat de chauffeur zich beperkt tot het feitelijk invullen van het schadeformulier. Een ondertekende schuldbekentenis kan de dekking in gevaar brengen en de werkgever met de schade opzadelen.

Gratis beginnen