Toetstermen 2.1, 2.2 en 2.8 van de Exameneisen TVT: gedragsregels en handhaving uit de Wegenverkeerswet 1994, verkeersregels en verkeerstekens van het RVV 1990 en de gevolgen van overtredingen voor chauffeur, werkgever en passagier.
Artikel 5 verbiedt elk gedrag dat gevaar of hinder veroorzaakt, ook zonder specifieke overtreding. Artikel 6 stelt letsel of dood door schuld strafbaar. Artikel 7 verbiedt het verlaten van de plaats van een ongeval zonder identiteit kenbaar te maken en hulp te bieden. Artikel 8 verbiedt rijden onder invloed: 0,5 promille of 220 microgram per liter uitgeademde lucht, 0,2 promille of 88 microgram voor de beginnend bestuurder (eerste vijf jaar rijbewijs). Hoofdstuk 9 regelt de handhaving: stopteken en vorderen van rijbewijs, chauffeurskaart en voertuigdocumenten (artikel 160), rijverbod (artikel 162), ademtest en bloedonderzoek (artikel 163), invordering van het rijbewijs (artikel 164); de rechter kan de rijbevoegdheid ontzeggen (artikel 179).
Op een gelijkwaardig kruispunt gaat verkeer van rechts voor (artikel 15); wie afslaat, laat rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg voorgaan (artikel 18); voetgangers op een zebrapad gaan voor (artikel 49), voorrangsvoertuigen met zwaailicht en sirene altijd (artikel 50). Bestuurders houden rechts (artikel 3) en halen links in. Maximumsnelheden zonder bord: 50 km/u binnen de bebouwde kom, 80 daarbuiten, 100 op een autoweg en 130 op een autosnelweg, waar overdag (06.00-19.00 uur) meestal 100 geldt (artikelen 20 en 21); in een erf 15 km/u (artikel 45). Stilstaan en parkeren zijn verboden binnen 5 meter van een kruispunt, op een voetgangersoversteekplaats en binnen 12 meter van een bushalte (artikelen 23 en 24). Een taxi mag de busbaan alleen op als een onderbord dat toestaat.
Bijlage 1 van het RVV 1990 ordent de borden per letter: A snelheid, B voorrang, C geslotenverklaring, D rijrichting, E parkeren, F overige geboden en verboden, G verkeersregels. Artikel 59 verplicht de gordel voor iedereen; kinderen jonger dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter gebruiken een kinderbeveiligingssysteem (artikel 59a). Uitzondering voor de taxi: achterin zonder kinderzitje, kinderen vanaf 3 jaar dan met de gewone gordel; voorin blijft het kinderzitje verplicht. Artikel 61a verbiedt het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden: alleen handsfree.
Toetsterm 2.8 vraagt de keten te kennen: een boete via de Wet Mulder of het strafrecht, een aantekening op het strafblad, weigering van de volgende Verklaring Omtrent het Gedrag en daardoor verlies van de chauffeurskaart bij Kiwa Register. De werkgever riskeert zijn vergunning, de verzekeraar kan schade verhalen. Het Reglement rijbewijzen regelt de geldigheid van rijbewijs B en het beginnersrijbewijs.
Vooral toepassingsvragen (taxonomie B): een verkeerssituatie waarin de chauffeur beslist wie voorrang heeft, waar hij een klant mag laten uitstappen of hoe hard hij mag rijden; kennisvragen (taxonomie F) over de artikelen van de Wegenverkeerswet 1994 en de promillegrenzen. Veelgemaakte fouten: de taxi-uitzondering voor kinderzitjes ook voorin toepassen, denken dat een taxi elke busbaan mag gebruiken, artikel 7 verwarren met artikel 5. Het oefenexamen telt 40 losse vragen in 60 minuten; 32 goed is voldoende (format vanaf 1 oktober 2026).
1. Wat verbiedt artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 is het algemene veiligheidsbeginsel: het is verboden zich zo te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, of dat het verkeer wordt gehinderd. Het vangt gedrag op waarvoor geen specifieke regel bestaat. Alcohol staat in artikel 8 en het verlaten van de plaats van een ongeval in artikel 7 (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
2. Een taxichauffeur rijdt met een passagier op het dashboard liggende papieren die zijn zicht belemmeren. Er gebeurt niets. Is dat strafbaar?
Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 stelt al strafbaar dat gevaar kán worden veroorzaakt; er hoeft geen ongeval of concrete hinder te zijn. Het RVV 1990 bevat de specifieke regels, maar artikel 5 vult de gaten. Voor de taxichauffeur, die beroepsmatig rijdt, weegt de rechter dat extra zwaar (toetsterm 2.1 en 4.1 Exameneisen TVT).
3. Wat regelt artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 maakt het een misdrijf om door schuld een verkeersongeval te veroorzaken waardoor een ander wordt gedood of zwaar lichamelijk letsel oploopt; de straf is hoger bij roekeloosheid of alcohol. Gordels staan in artikel 59 RVV 1990, snelheden in artikel 20 RVV 1990 en invordering in artikel 164 WVW 1994 (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
4. Wat is het verschil tussen artikel 5 en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (gevaar veroorzaken of hinderen) is een overtreding, ongeacht de gevolgen; artikel 6 (schuld aan een ongeval met dood of zwaar lichamelijk letsel) is een misdrijf met gevangenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid. Beide gelden voor iedereen en overal (toetsterm 2.1 en 2.8 Exameneisen TVT).
5. Welk artikel van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het verlaten van de plaats van een ongeval?
Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt degene die bij een verkeersongeval betrokken is de plaats te verlaten als hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een ander is gedood, gewond is of schade heeft, zolang de identiteit niet is vastgesteld; ook het achterlaten van een hulpbehoevende is verboden (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
6. Een taxichauffeur raakt bij het inparkeren een geparkeerde auto en niemand is in de buurt. Wat moet hij doen volgens artikel 7 WVW 1994?
Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het verlaten van de plaats van het ongeval als een ander schade heeft en de identiteit van de betrokkene nog niet is vastgesteld; is de eigenaar afwezig, dan voorkomt de chauffeur strafbaarheid door zich binnen twaalf uur vrijwillig bij de politie te melden (artikel 184 WVW 1994). Alleen een briefje geeft geen zekerheid (toetsterm 2.1).
7. Een chauffeur rijdt in paniek weg na een aanrijding met blikschade, maar meldt zich zes uur later vrijwillig bij de politie. Wat geldt?
Artikel 184 Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het verlaten van de plaats van het ongeval (artikel 7) niet strafbaar is als de betrokkene binnen twaalf uur en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig kennis geeft aan een opsporingsambtenaar en zijn identiteit en die van het voertuig bekendmaakt. Blikschade valt gewoon onder artikel 7 (toetsterm 2.1).
8. Wat is de wettelijke alcoholgrens voor een ervaren bestuurder volgens artikel 8 WVW 1994?
Artikel 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 stelt de grens op 220 µg/l adem of 0,5 promille bloed; lid 3 kent voor de beginnend bestuurder (eerste vijf jaar) 88 µg/l of 0,2 promille. Daarnaast verbiedt lid 1 het rijden onder zodanige invloed dat men niet behoorlijk kan besturen, ook onder de grens (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
9. Voor wie geldt de alcoholgrens van 0,2 promille (88 µg/l)?
Artikel 8 lid 3 Wegenverkeerswet 1994 koppelt de lagere grens aan de beginnend bestuurder: wie zijn eerste rijbewijs korter dan vijf jaar heeft (zeven jaar bij een rijbewijs vóór de 18e verjaardag). Voor beroepschauffeurs bestaat geen aparte wettelijke grens, al eisen veel vervoerders in hun bedrijfsregels nul alcohol (toetsterm 2.1 en 4.1 Exameneisen TVT).
10. Een chauffeur heeft twee glazen bier gedronken en blaast 150 µg/l. Hij heeft zijn rijbewijs acht jaar. Wat geldt?
Met acht jaar rijbewijs geldt volgens artikel 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 de grens van 220 µg/l; 150 µg/l is daaronder. Artikel 8 lid 1 blijft echter van toepassing als de bestuurder feitelijk niet meer tot behoorlijk besturen in staat is, en de Exameneisen TVT (toetsterm 4.1) rekenen alcohol tot de risico's die een taxichauffeur moet vermijden.
11. Wat regelt artikel 8 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, naast de vaste promillegrenzen?
Artikel 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 is de algemene bepaling: rijden onder invloed van alcohol, drugs of medicijnen waarvan men weet of moet weten dat ze de rijvaardigheid aantasten, ook zonder dat een grenswaarde is overschreden. Medewerking aan onderzoek staat in artikel 163, invordering in artikel 164 (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
12. Welke regeling bevat de grenswaarden voor drugs in het verkeer waarnaar artikel 8 WVW 1994 verwijst?
Artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994 verwijst voor de grenswaarden van drugs (zoals THC, cocaïne, amfetamine) en voor combinaties met alcohol naar het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer; de politie gebruikt een speekseltest als voorselectie en een bloedonderzoek als bewijs. De Opiumwet gaat over bezit en handel (toetsterm 2.1 en 4.1 Exameneisen TVT).
13. Een chauffeur gebruikt een medicijn met een gele waarschuwingssticker (‘kan de rijvaardigheid beïnvloeden’). Wat geldt?
Artikel 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het rijden onder invloed van een stof waarvan de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zij de rijvaardigheid kan verminderen; de gele sticker maakt dat ‘weten’ aantoonbaar. Overleg met arts of apotheker is nodig; de werkgever kan de wet niet opzijzetten (toetsterm 2.1 en 4.1 Exameneisen TVT).
14. Wat moet een bestuurder doen op eerste vordering van een politieagent volgens artikel 160 WVW 1994?
Artikel 160 Wegenverkeerswet 1994 verplicht de bestuurder op eerste vordering van een opsporingsambtenaar zijn voertuig tot stilstand te brengen en rijbewijs en kentekenbewijs ter inzage af te geven; voor een taxi komen daar de chauffeurskaart en de BCT-gegevens bij (Besluit personenvervoer 2000). Niet stoppen is zelfstandig strafbaar (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
15. Wie mag een taxichauffeur op grond van de Wegenverkeerswet 1994 laten stoppen voor een controle?
Artikel 160 Wegenverkeerswet 1994 geeft de bevoegdheid aan opsporingsambtenaren: politie, maar ook buitengewoon opsporingsambtenaren met verkeersbevoegdheden en de inspecteurs van de ILT voor het taxivervoer (Wet personenvervoer 2000). Verkeersregelaars geven aanwijzingen (artikel 82 RVV 1990), maar controleren geen documenten (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
16. Wat is een rijverbod volgens artikel 162 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 162 Wegenverkeerswet 1994 laat de opsporingsambtenaar een rijverbod van maximaal 24 uur opleggen als de bestuurder kennelijk niet in staat is behoorlijk te rijden, zoals bij alcohol onder de grens, drugs of ernstige vermoeidheid. De ontzegging van de rechter staat in artikel 179, het CBR-onderzoek in artikel 130 (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
17. Hoe lang mag een rijverbod op grond van artikel 162 WVW 1994 maximaal duren?
Artikel 162 Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het rijverbod ten hoogste 24 uur duurt en wordt opgelegd voor de tijd waarin de bestuurder vermoedelijk ongeschikt blijft; rijden tijdens het verbod is strafbaar. Een taxichauffeur met een rijverbod kan dus zijn dienst niet voortzetten (toetsterm 2.1 en 2.8 Exameneisen TVT).
18. Wat regelt artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 163 Wegenverkeerswet 1994 verplicht een verdachte bestuurder mee te werken aan een ademanalyse en, als die niet mogelijk is, aan een bloed- of urineonderzoek; weigeren is een zelfstandig misdrijf dat even zwaar wordt bestraft als rijden onder invloed. Ontzegging staat in artikel 179, naamplicht in 165, invordering in 164 (toetsterm 2.1).
19. Een chauffeur weigert de ademanalyse op het bureau. Wat is het gevolg?
Artikel 163 Wegenverkeerswet 1994 maakt het weigeren van medewerking aan de ademanalyse (of het bloedonderzoek) tot een zelfstandig misdrijf met dezelfde strafmaat als artikel 8; artikel 164 verplicht de politie bij weigering het rijbewijs in te vorderen. Voor een taxichauffeur betekent dat het einde van zijn werk tot de rechter beslist (toetsterm 2.1 en 2.8).
20. Wat regelt artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 164 Wegenverkeerswet 1994 verplicht de opsporingsambtenaar het rijbewijs in te vorderen bij onder meer een ademalcoholgehalte vanaf 570 µg/l (350 µg/l voor de beginnend bestuurder), weigering van de ademanalyse en een snelheidsoverschrijding van meer dan 50 km/u (buiten de autosnelweg); de officier van justitie beslist daarna over inhouding. Rijbewijsplicht staat in artikel 107 (toetsterm 2.1).
21. Bij welke snelheidsoverschrijding met een personenauto wordt het rijbewijs op grond van artikel 164 WVW 1994 direct ingevorderd?
Artikel 164 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 noemt de overschrijding van de maximumsnelheid met meer dan 50 km/u (voor een bromfiets 30 km/u) als grond voor directe invordering; op de autosnelweg ligt de grens eveneens bij meer dan 50 km/u boven de limiet. Kleinere overschrijdingen worden met een boete afgedaan (toetsterm 2.1 en 2.8 Exameneisen TVT).
22. Wat regelt artikel 165 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 165 Wegenverkeerswet 1994 verplicht de eigenaar of houder van een motorrijtuig om, als de bestuurder bij een overtreding niet is vastgesteld, binnen 48 uur na de vordering naam en adres van de bestuurder te noemen. Voor een taxibedrijf betekent dit dat de vervoerder moet kunnen zeggen wie op welk moment reed, waarvoor de BCT-registratie dient (toetsterm 2.1).
23. Een taxibedrijf ontvangt een flitsboete zonder staandehouding. Wat moet de vervoerder doen als de politie de naam van de bestuurder vordert?
Artikel 165 Wegenverkeerswet 1994 verplicht de kentekenhouder de identiteit van de bestuurder bekend te maken; niet voldoen is strafbaar. De boordcomputer taxi (Besluit personenvervoer 2000) registreert welke chauffeurskaart op dat moment was ingelogd, zodat de vervoerder kan antwoorden. Privacy is geen weigeringsgrond (toetsterm 2.1 en 1.3 Exameneisen TVT).
24. Wat is een ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) volgens artikel 179 WVW 1994?
Artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 laat de rechter bij misdrijven als artikel 6, 7 en 8 en bij ernstige overtredingen de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzeggen voor een bepaalde tijd; rijden tijdens een ontzegging is een misdrijf (artikel 9). Het rijverbod van de politie staat in artikel 162 en de CBR-maatregelen in artikel 130 en verder (toetsterm 2.1).
25. Wat gebeurt er als een chauffeur toch rijdt terwijl de rechter hem de rijbevoegdheid heeft ontzegd?
Artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 maakt het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid, tijdens een ongeldigverklaring of een schorsing tot een misdrijf waarop gevangenisstraf staat. Voor een taxichauffeur leidt dat bovendien tot verlies van de VOG-eis en dus van de chauffeurskaart via de continue screening (toetsterm 2.1 en 2.8 Exameneisen TVT).
26. Wat kan de politie doen als zij vermoedt dat een bestuurder door een ziekte of verslaving blijvend ongeschikt is om te rijden?
Artikel 130 Wegenverkeerswet 1994 verplicht de politie een vermoeden van ongeschiktheid of onvoldoende rijvaardigheid te melden aan het CBR; het CBR kan het rijbewijs schorsen en een medisch onderzoek, een rijvaardigheidsonderzoek of een educatieve maatregel opleggen. Ongeldig verklaren doet het CBR, ontzeggen doet de rechter (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
27. Wat is een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA)?
Op grond van de artikelen 130 tot 134 Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid kan het CBR na een melding van de politie een EMA (of LEMA bij lagere promillages) opleggen; wie niet meewerkt of niet betaalt, verliest zijn rijbewijs. Het rijverbod van 24 uur staat in artikel 162 (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
28. Een beginnend bestuurder wordt binnen vijf jaar twee keer veroordeeld voor een ernstige verkeersovertreding. Wat kan er gebeuren?
De beginnersregeling in de Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement rijbewijzen kent een puntenstelsel: bij twee onherroepelijke veroordelingen voor ernstige feiten (zoals artikel 5, 6 of een grote snelheidsoverschrijding) binnen de beginnersperiode van vijf jaar wordt het rijbewijs ongeldig verklaard en volgt een onderzoek naar de rijvaardigheid bij het CBR (toetsterm 2.1 en 2.8).
29. Wat regelt artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 107 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt het besturen van een motorrijtuig op de weg zonder een geldig, voor dat voertuig afgegeven rijbewijs; het Reglement rijbewijzen werkt de categorieën en de geldigheid uit. Telefoongebruik staat in artikel 61a RVV 1990, alcohol in artikel 8 WVW 1994 en snelheden in het RVV 1990 (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
30. Welk gedrag valt onder artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994?
Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 (sinds 2020) maakt het tot een misdrijf om opzettelijk gedrag te vertonen waardoor de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden en levensgevaar of gevaar voor zwaar letsel te duchten is, zoals extreem hard rijden, bumperkleven of een rood licht negeren; ook zonder ongeval. De andere feiten zijn overtredingen (toetsterm 2.1 en 2.8).
31. Wat verstaat de Wegenverkeerswet 1994 onder een ‘opsporingsambtenaar’ bij verkeerscontroles?
De Wegenverkeerswet 1994 (artikel 159) wijst als opsporingsambtenaren de politie en de daartoe aangewezen ambtenaren aan; buitengewoon opsporingsambtenaren met een verkeersdomein en ILT-inspecteurs vallen daaronder voor hun taak. Gemeenteambtenaren zonder BOA-akte en CBR-examinatoren hebben geen opsporingsbevoegdheid (toetsterm 2.1 en 2.6 Exameneisen TVT).
32. Wat is de rol van de officier van justitie na invordering van een rijbewijs volgens artikel 164 WVW 1994?
Artikel 164 Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat de officier van justitie na de invordering door de politie binnen tien dagen beslist over inhouding van het rijbewijs tot de zitting, of teruggave; alleen de rechter kan een ontzegging opleggen (artikel 179) en alleen het CBR kan een rijbewijs ongeldig verklaren (toetsterm 2.1 Exameneisen TVT).
33. Een chauffeur ziet na een lange nacht dubbel van vermoeidheid, maar heeft niets gedronken. Mag de politie hem van de weg halen?
Artikel 162 Wegenverkeerswet 1994 spreekt van een bestuurder die ‘kennelijk niet in staat is behoorlijk te rijden’, ongeacht de oorzaak; ernstige vermoeidheid valt eronder, evenals medicijnen of ziekte. Ook artikel 8 lid 1 en artikel 5 kunnen van toepassing zijn. De Exameneisen TVT noemen vermoeidheid in toetsterm 4.1 als risico (toetsterm 2.1).
34. Een taxichauffeur rijdt met 0,3 promille en zijn rijbewijs is vier jaar oud. Welke bepaling overtreedt hij?
Met een rijbewijs van vier jaar is de chauffeur volgens artikel 8 lid 3 Wegenverkeerswet 1994 nog beginnend bestuurder (grens 0,2 promille of 88 µg/l); 0,3 promille is dus strafbaar, ook al ligt het onder de algemene grens van lid 2. Artikel 162 is een maatregel, geen overtreding (toetsterm 2.1 en 2.8 Exameneisen TVT).
35. Waarom hebben de artikelen 5 tot en met 8 WVW 1994 voor een taxichauffeur extra betekenis?
Verkeersmisdrijven (artikel 6, 7, 8 en 5a Wegenverkeerswet 1994) tellen mee in de screening voor de Verklaring Omtrent het Gedrag; via de continue screening kan Justis dat aan Kiwa Register melden, dat de chauffeurskaart op grond van het Besluit personenvervoer 2000 kan intrekken. Dubbele boetes of vrijstellingen bestaan niet (toetsterm 2.1 en 2.8).